Noodverlichting
- Controle
- Maandelijks kort testen, jaarlijks de volle brandduur
- Wie
- Beheerder, jaarlijks een installateur
- Houvast
- Bbl 4.195 en NEN-EN 50172
Iedereen kent het groene bord boven de deur. Maar het licht op de vloer eronder is iets anders, en wie een nieuwe armatuur ophangt, kiest ook meteen hoe hij gevoed wordt.
Noodverlichting is verlichting die vanzelf aanspringt als de stroom uitvalt, zodat mensen de weg naar buiten zien. Het Bbl eist licht binnen 15 seconden, minstens 60 minuten lang en minstens 1 lux op vloer en traptreden. Verplicht is het onder meer in een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en op de vluchtroute daaruit (Bbl 4.195 en 3.101).
Een lux is weinig licht, maar genoeg om een trap af te komen zonder te vallen. Mensen gebruiken het woord voor twee dingen, en dat geeft verwarring. Er is het licht op de vloer, en er is het groene bord dat de richting wijst. Dat tweede heet vluchtrouteaanduiding en heeft eigen regels, al zit het vaak in dezelfde armatuur.
Het is een zaak van de eigenaar of beheerder van een kantoor, school, zaal of woongebouw met een gemeenschappelijk trappenhuis: die zorgt dat het er hangt en blijft werken. Hoe vaak u test en wat er in het logboek komt, staat bij noodverlichting controleren.
Wij plaatsen, vervangen en testen noodverlichting in bestaande gebouwen. Het begint altijd met een gesprek over wat er hangt en wat het pand nodig heeft.
Zakt de spanning van de gewone verlichting onder de 70 procent, dan schakelt de noodverlichting vanzelf in. Binnen 15 seconden moet er licht zijn, minstens 1 lux op vloer en traptreden, en dat licht moet minstens 60 minuten blijven.
In een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen, en in de ruimten waar de vluchtroute uit die ruimte doorheen loopt. Een functieruimte onder het meetniveau, zoals een kelder, en een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, moeten ook noodverlichting hebben. Voor nieuwbouw staat dat in artikel 4.195 van het Bbl, voor bestaande bouw in artikel 3.101.
Het gaat dus om de ruimte en de route, niet om het gebouw als geheel. Een zaal voor honderd mensen trekt de gang en het trappenhuis mee waar de vluchtroute uit die zaal doorheen gaat. Wie verbouwt of een ruimte een ander gebruik geeft, kijkt daarom opnieuw: een vergaderzaal die kantine wordt, kan zo over de 75 gaan.
Naast het Bbl vraagt de Arbowet noodverlichting op werkplekken met een verhoogd risico. Voor bestaande gebouwen geldt bovendien een overgangsregel. De eisen per artikel en die regel staan in een tabel bij noodverlichting controleren.
De norm NEN-EN 1838 verdeelt noodverlichting in twee groepen. Noodevacuatieverlichting helpt mensen het gebouw uit, en vervangingsverlichting laat het werk gewoon doorgaan. Alleen de eerste groep is de noodverlichting die het Bbl bedoelt. Het Handboek Brandbeveiligingsinstallaties van het NIPV zet die indeling zo op een rij.
| Soort | Waar het voor dient | Bedoeld in het Bbl? |
|---|---|---|
| Vluchtrouteverlichting | De vluchtroute herkennen en veilig lopen, en blusmiddelen en bedieningen kunnen vinden | Ja |
| Anti-paniekverlichting | Paniek verkleinen in een grote ruimte, zodat mensen een plek bereiken waar ze de vluchtroute zien | Ja |
| Verlichting van werkplekken met verhoogd risico | Een gevaarlijk proces veilig kunnen stilzetten voordat iemand wegloopt | Nee, maar de Arbowet verplicht noodverlichting op plaatsen met een verhoogd risico |
| Vervangingsverlichting | Normale activiteiten voortzetten tijdens een stroomstoring | Nee, dit is een wens van de eigenaar of gebruiker |
Wie zoekt op vluchtwegverlichting of op verlichting bij de nooduitgang, bedoelt dus bijna altijd de eerste regel van deze tabel. En wie een operatiekamer of een serverruimte draaiend wil houden, zit bij de laatste. Dat is een ander ontwerp met een andere voeding.
Bij een decentraal systeem heeft elke armatuur een eigen accu, en bij een centraal systeem staat er één voedingseenheid met accu's die alle armaturen via eigen leidingen voedt. Grote gebouwen gebruiken soms een noodstroomaggregaat of een omvormer die de gewone armaturen overneemt. Welke past, hangt volgens het NIPV-handboek af van de omvang van het gebouw, de lichtopbrengst en de mogelijkheden voor onderhoud.
| Systeem | Hoe het werkt | Waar u op let |
|---|---|---|
| Decentraal | Elke armatuur hangt aan de gewone installatie van 230 volt en schakelt bij uitval direct over op zijn eigen accu | Elke accu veroudert apart, dus de jaarlijkse duurtest telt per armatuur |
| Centraal | Eén voedingseenheid met accu's en een eigen leidingnet naar de armaturen | De centrale hangt aan een eigen eindgroep met het opschrift NOODVERLICHTING, en na een uitval moet hij binnen 12 uur weer 80 procent van zijn brandduur halen |
| Noodstroomaggregaat | Het aggregaat neemt de gewone verlichting geheel of gedeeltelijk over | Een aggregaat heeft aanlooptijd, en die wordt soms met een omvormer overbrugd |
| Omvormer | De gewone armaturen worden bij uitval gevoed door een noodverlichtingseenheid, centraal of per armatuur | Een ingebouwde unit mag de CE-keur van de armatuur niet aantasten |
Voor alle systemen geldt hetzelfde uitgangspunt uit het handboek. De noodverlichting schakelt vanzelf in zodra de spanning van de gewone verlichting in die ruimte onder de 70 procent zakt, wat de stand van een lichtschakelaar ook is. Komt de spanning terug tot ten minste 90 procent, dan gaat hij weer uit.
Het Bbl zegt in welke ruimten noodverlichting moet zijn, maar niet op welke plek aan het plafond. Daarvoor gebruikt een ontwerper NEN-EN 1838, en het NIPV-handboek noemt de plekken waar vluchtrouteverlichting ten minste hoort. Het Bbl verwijst bij de noodverlichting zelf niet naar die norm. Wie de norm volgt, hangt daardoor soms meer op dan de wet vraagt.
Loop de lijst hiernaast eens na in uw eigen gang. Meestal ontbreekt er niets bij de deur, en wel iets bij een hoek of een afstapje dat er later bij is gekomen.
Een decentrale armatuur hoort bij voorkeur op dezelfde groep als de gewone verlichting in die ruimte, en in principe niet op een groep die alleen voor noodverlichting bestemd is. Dat klinkt omgekeerd, maar het is logisch. Valt alleen de lichtgroep van de gang uit, dan moet juist daar de noodverlichting aangaan, en dat merkt de armatuur alleen als hij op die groep zit.
Het NIPV-handboek geeft nog een paar regels mee. Sluit een decentrale armatuur niet aan op een groep die 's nachts uitgaat om energie te sparen, want dan loopt de accu elke nacht leeg. Bij een centraal systeem raadt het handboek aan niet meer dan 20 lichtpunten op één eindgroep te zetten. En hangen er in een ruimte meer armaturen, dan worden ze om en om gevoed uit ten minste twee stroomketens, waarbij een ingebouwde accu als eigen keten telt.
De armatuur zelf moet voldoen aan NEN-EN 60598-2-22, en de installatie moet zo zijn gemaakt dat een proef onder belasting eenvoudig kan. Dat laatste merkt u later bij elke maandelijkse test.
Aansluiten is elektrawerk, dus dat doet een installateur. Moet er een groep bij of is de verdeelkast aan vervanging toe, dan is dat ander werk dan het ophangen van een armatuur.
Met twee tests. Elke maand een korte functietest, waarbij u kijkt of elke armatuur oplicht als de stroom wegvalt, en een keer per jaar een test over de volle brandduur. Zo vat NVFN, de brancheorganisatie van fabrikanten, de norm NEN-EN 50172 samen. Beide tests gaan met datum en naam in het logboek.
De jaarlijkse test is de belangrijkste. Een accu op leeftijd haalt de korte test nog zonder moeite, maar geen uur meer. Dooft een armatuur bij de duurtest voordat de 60 minuten om zijn, dan is de accu op. Hoe u dat ziet en waardoor een accu sneller slijt, leest u bij de accu van noodverlichting vervangen.
Wij doen de jaarlijkse duurtest, vervangen accu's en armaturen en hangen armaturen bij als een verbouwing de route verandert. Het hele schema, en wie welke test mag doen, staat bij noodverlichting controleren.
Vluchtwegverlichting, in de norm vluchtrouteverlichting, geeft licht op de vloer zodat u de route kunt lopen. Vluchtrouteaanduiding is het groene pictogram dat de richting wijst. Een aangelicht pictogram doet soms allebei, maar de regels staan in verschillende artikelen van het Bbl.
Dat is noodverlichting in een open ruimte waar geen vaste route loopt, zoals een zaal of een hal. Het licht is bedoeld om paniek te verkleinen en mensen naar een plek te brengen waar ze de vluchtroute wel zien.
De noodfunctie niet. Volgens het NIPV-handboek moet noodverlichting automatisch inschakelen bij uitval van de spanning, onafhankelijk van de stand van bedieningsschakelaars. Een armatuur die u met de schakelaar helemaal spanningsloos maakt, ziet dat als een stroomuitval en gaat op zijn accu branden.
In de gemeenschappelijke delen vaak wel. Het Bbl eist noodverlichting in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert (artikel 4.195 voor nieuwbouw, 3.101 voor bestaande bouw), en in een appartementengebouw is dat meestal het trappenhuis of de gang naar de trap. Welke routes in uw gebouw beschermd zijn, staat in de vergunning of op de tekeningen van het gebouw.
Het Bbl vraagt dat niet uitdrukkelijk. NEN-EN 1838 gaat er volgens het handboek van uit dat straatverlichting niet altijd genoeg is, en noemt daarom ook de buitenkant van een uitgang, binnenplaatsen en buitentrappen.
Beheercheck
Vink aan wat er hangt en wanneer het voor het laatst is nagekeken. U ziet per installatie hoe vaak er getest wordt, door wie en wat u moet kunnen laten zien.
Liever samen kijken? Plan een vrijblijvend adviesgesprek
Vertel wat er in het pand hangt en wat u wilt weten. Een adviseur neemt contact met u op om het gesprek te plannen.
Plan een vrijblijvend adviesgesprekU krijgt een adviseur aan de lijn en geen keuzemenu.
Vaak het handigst als u een foto van een armatuur, een melder of een logboekpagina wilt meesturen.